30-12-10

De PERS OVER GA NIET WEG (2)

Dirk Leyman in De Morgen:


De 'Vlaamse' Nederlander Willem van Zadelhoff besluit zijn romantrilogie Holle haven met het suspenserijke Ga niet weg. Architectuur wordt er het speelterrein van 'gevaarlijke fantasten'.


Romans waarin architectuur een prominente rol speelt? Ze zijn dun gezaaid in het Nederlandse taalgebied. Gelukkig maakt Willem van Zadelhoff (°1958) er al een paar jaar zijn specialiteit van. Zopas rondde de in Antwerpen wonende Nederlander met Ga niet weg een doortimmerde trilogie af over opkomst- en ondergang van de modernistische architectuur.

Het drieluik werd in 2003 op de rails gezet met Een stoel, een ragfijne intellectuele detective over de ontstaansgeschiedenis van de achterpootloze stoel van Bauhausarchitecten Marcel Breuer en Mart Stam én de rol van Gerrit Kats. In opvolger Holle haven (2006) stond dan weer het naoorlogse 'Nieuwe Bouwen' centraal. Laat Van Zadelhoff in sluitstuk Ga niet weg de modernistische droom uit elkaar spatten? Het heeft er alle schijn van. Maar de roman reflecteert ook over de houdgreep van het verleden en zet je langzaam maar zeker op het puntje van je stoel.

Onderwijzer Robert Kats gehoorzaamt in Ga niet weg aan zijn verlangen om een kubusvormige woning te kopen in de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam. De wijk was ooit het walhalla van het Nederlandse modernistische bouwen. Maar zijn vrouw Hester is verknocht aan de Jordaan. Toch wijkt Robert geen duimbreed van zijn plannen af. Dat volkszanger Willy Alberti het huis ooit heeft betrokken, zwengelt zijn fascinatie nog meer aan. In "dit paradijs, een oase met omgekeerde villa's" kan hij zowel zijn jeugd hervinden als een nieuwe toekomst uitbouwen.

De zonderlinge Robert leidt in zijn heldere honk een teruggetrokken, dromerig bestaan. Zonder Hester. Spoedig neemt hij een leerlinge, een timide moslimmeisje, onder zijn vleugels. Hij biedt haar een kamer aan om rustig te studeren. Het meisje wordt echter vermoord en Robert verliest bij de daad van agressie een oog én een gedeelte van zijn long. Eigenlijk eindigt daar zijn droom. De revalidatie is lang en het huis wordt terra non grata. En het besef rijst: "Alles wat ik altijd als vooruitgang heb gezien, is in werkelijkheid niet meer dan een vlucht."

Van Zadelhoff drijft mondjesmaat de suspense op. Het is zaak om bij de les te blijven, want de hints naar de onthutsende afloop stapelen zich op. Zeker als Karoline Kwatta, die we kennen uit Een stoel, weer ten tonele verschijnt. Zij heeft een studie over de familie Kats voltooid en denkt de geschiedenis van de achterpootloze stoel voorgoed ontrafeld te hebben. Ze werkt ook aan een studie van de Hollandse Wijk in het Berlijnse Potsdam van 1830.

Maar zijn al die architecturale nieuwlichters uiteindelijk geen rigide doordrammers, "gevaarlijke fantasten, die als het erop aankwam over lijken gaan"? Hoe letterlijk die bedenking van Robert te nemen valt, blijkt in de bevreemdende Berlijnse slothoofdstukken. Enkel jammer dat Van Zadelhoffs ideeënrijk proza soms zo afgemeten is dat je er slinks een bloemrijk adjectief wil aan toevoegen.

14-12-10

DE PERS OVER GA NIET WEG

Ton Van Imschoot in Knack:

Wie houdt van helderheid? Met Ga niet weg bekroont Willem van Zadelhoff (°1958) op een briljante manier zijn ingenieuze romantrilogie over de twintigste-eeuwse droom van een maakbaar leven vol 'licht en lucht'. In Een stoel (2003) werd het vooroorlogse Bauhaus - ontwerp van de achterpootloze buisstoel verweven met de geschiedenis van de Arnhemse familie Kats. Holle haven (2006), naar een gedicht van Paul van Ostaijen, borduurde erop voort, maar nam de ontwikkeling van de naoorlogse modernistische architectuur in focus. In Ga niet weg nu is Hollandse stedenbouw het mikpunt, andermaal in een onwaarschijnlijk uitgeklaarde stijl.
Robert Kats, die ook in Een stoel de hoofdrol speelde, besluit onverhoeds een kubusvormige villa te kopen in de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam. Hester, zijn vrouw, vindt dat maar niks. Toch zet Robert door, buiten haar weten om. Hij heeft immers het gevoel zijn jeugd en zijn toekomst in dat huis terug te vinden. Bovendien blijkt de villa aan Willy Alberti te hebben toebehoord, een zanger uit de Jordaan, de volkse wijk van Roberts 'hechte familie' van moederskant. Toen was sociale mobiliteit nog mogelijk.
In dat oude idee vindt Robert een nieuw doel. Nadat hij Hester verlaten en zijn villa alleen betrokken heeft, ontfermt hij zich over een moslimmeisje waaraan hij op school geschiedenisles geeft. Net als de Pygmalion die zijn vader ooit voor zijn moeder was. Hij biedt haar een studeerkamer aan, hoopt dat ze zo kan slagen. De zaak neemt echter een onverwachtse wending wanneer Robert op school door de broer van het meisje aangevallen wordt en zij er het leven bij inschiet. Wat is er aan de hand? En waar is Hester toch gebleven?
Enter Karoline Kwatta, auteur van een standaardwerk over de familie Kats en bezig met onderzoek naar de Hollandse wijk in Potsdam. Langs haar om ontmaskert Van Zadelhoff het verlangen naar 'een paradijs van licht en lucht' dat Robert van zijn vaderen heeft geërfd als een gevaarlijke fantasie, een historische last met een duistere ontknoping. Alles wordt uiteindelijk helder, behalve het verlangen en de verbeelding zelf. Wat een verademing! Een meesterlijk einde van een beklemmende trilogie.

Mark Cloostermans in De Standaard:

Het cruciale zinnetje staat al op bladzijde 42, in een jeugdherinnering van de hoofdpersoon. Zijn vader, zo vertelt Robert Kats, beschouwde zijn moeder als een soort ruwe diamant. Hij wilde haar losmaken van haar platvloerse familie, haar te volkse wortels. En dan klinkt het, enigszins omineus: 'Mijn vader wist wat goed voor anderen was.' Daarmee legt Willem van Zadelhoff onopvallend de revolver neer die later in het boek zal afgaan.

Aan de oppervlakte vertelt Ga niet weg een eenvoudig verhaal. De onderwijzer Robert Kats wordt halsoverkop verliefd op een huis: een lichte, heldere woning, met veel glas, gelegen in een nieuwbouwwijk uit de jaren 1950. Roberts vriendin wil niet mee verhuizen, maar hij volgt zijn droom ('licht en lucht') en betrekt het huis alleen.
Het enige bezoek dat hij ontvangt, is dat van een Turkse leerlinge. Haar heeft hij een rustige studeerkamer aangeboden. Dat zijn interesse voor de leerlinge wat ver gaat, is de lezer meteen duidelijk. Halverwege de roman is het meisje opeens dood en ligt Robert in het ziekenhuis. Wat er precies is gebeurd, vertelt Robert niet. Wel deelt hij met ons zijn gevoel voor ironie: de man die licht en lucht zocht, eindigt met nog maar één oog en anderhalve long.
Een origineel verhaal is dit niet. Jan Siebelink, bijvoorbeeld, beschreef in Suezkade (2008) ook al de ontsporende relatie tussen een wereldvreemde onderwijzer en een allochtone leerlinge. Maar door wissels in het vertelperspectief en door de lezer slechts mondjesmaat informatie te voeren, geeft Willem van Zadelhoff nieuw leven aan deze plot.
Bovendien is Ga niet weg meer dan zomaar een verhaal over een zonderling die wat te sterk overtuigd is van zijn gelijk.

In 2003 stapte Willem van Zadelhoff de literatuur in met Een stoel. De in Antwerpen wonende Nederlander trok de aandacht met glashelder, verraderlijk luchtig proza én door het onderwerp van zijn debuut: de achterpootloze buisstoel. Of anders gezegd: de geschiedenis van een droom die verschillende generaties overspant.
Een stoel bleek achteraf de start van een trilogie. In deel 2, Holle haven, verruimde Van Zadelhoff de focus: de stoel werd een pars pro toto voor de modernistische architectuur en met name het Nieuwe Bouwen. Het Nieuwe Bouwen, zo staat te lezen op Wikipedia, is 'een internationale verzamelnaam voor verschillende bouwstijlen en radicale stedenbouwkundige vernieuwingen uit de periode 1915 tot circa 1960'. Van Zadelhoff definieert de stroming zelf als een zoektocht naar licht en lucht. Maar in Holle haven plaatste hij al kanttekeningen: veel modernistische dromen konden maar verwezenlijkt worden dankzij de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. In het pas verschenen sluitstuk van de trilogie, Ga niet weg, verandert de droom in een nachtmerrie.
Bij monde van Robert Kat komt Van Zadelhoff tot een pijnlijke conclusie: de architecten van het Nieuwe Bouwen waren geen geniale dromers, maar gevaarlijke fantasten, die geen rekening hielden met andermans wensen en genadeloos het verleden afbraken om hun visie op de toekomst vorm te geven. Net als Roberts vader (en hijzelf) wisten ze wat goed was voor anderen.

Ga niet weg heeft trekken van een ideeënroman, met personages die staan voor verschillende visies op de omgang met het verleden en het ontwerpen van de toekomst. Zo loopt er ook nog een broer van Robert rond in het verhaal, die hardnekkig de fouten uit het verleden tracht recht te zetten. Robert daarentegen is juist op de toekomst gericht: hij is een voorstander van radicale veranderingen. Maar ook zijn handelen wordt misschien beïnvloed door jeugdherinneringen, nostalgie, de wens om te recupereren wat verloren ging. 'De geschiedenis herschrijven is leuk, zolang je je tot fictie beperkt', waarschuwt hij.
Ook dit is een thema in Ga niet weg: het schrijven van geschiedenis en hoe vervorming en achteraf-interpretatie daarbij niet te vermijden vallen. Deze gedachtelijn heeft Van Zadelhoff toegewezen aan een kennis van Robert, de historica Karoline Kwatta. Zij werkt aan een studie over de Hollandse wijk van Potsdam, gebouwd in de jaren 1830. In de ontwerper daarvan, Jan Bouman, ziet Kwatta een voorloper van het Nieuwe Bouwen: 'Bouman trok de zaken recht. Hij baseerde zich [...] op de menselijke maat.' Toch wordt Kwatta geplaagd door twijfel: was Bouman echt briljant, of slechts een simpele meubelmaker met gevoel voor verhoudingen? Is Karoline Kwatta de geschiedenis aan het vervormen vanuit haar bewondering voor het Nieuwe Bouwen?
Zoals u merkt: deze beknopte roman is eigenlijk een hele boterham, maar Van Zadelhoffs handelsmerk is de lichtvoetige manier waarop hij academische dilemma's tot leven brengt. Ook al heeft Willem van Zadelhoff niet de Belgische nationaliteit, we gaan hem gewoon manu militari inlijven bij de Vlaamse literatuur, want hij is een te waardevolle stem.

08-12-10

'TUF' VAN VUUREN (1946-2010)















Tuf is dood, las ik in de krant. Ik heb nooit een woord met hem gewisseld maar ik wist wie hij was. Ik kende zijn gezicht. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. We woonden in dezelfde stad en bezochten dezelfde café’s. Hij reed in een zilverkleurige Alfa Romeo. Dat herinner ik me nog. Het gerucht ging dat hij geen huis had, alleen die zilverkleurige Alfa. Als hij geen vriendinnetje had, sliep hij gewoon in z’n auto, zeiden ze. En hij deed iets met fotografie. Dat laatste maakte toen niet zo veel indruk op mij; bijna iedereen in die tijd deed iets met fotografie. Ook ikzelf overwoog toen regelmatig iets met fotografie te doen.

Dat Tuf in werkelijkheid Steven Jan van Vuuren heette, weet ik pas sinds afgelopen vrijdag. Ik las het in zijn overlijdensadvertentie in de Volkskrant.
Eind jaren zeventig begon van Vuuren met een kleine Rollei D 35 in Arnhem mensen te fotograferen. Portretten. Op terrassen, in de kroeg, op feestjes en gewoon op straat. In de periode 1979 – 2006 maakte hij duizenden foto’s. Al die foto’s tezamen vormden de zogenaamde fotomuur. Gewoonlijk hing die bij hem thuis in de woonkamer. Hij was ook een paar keer te zien op exposities in Arnhem.

Uit het herdenkingsartikel op de website van Sint Marten, de wijk waar hij jarenlang woonde, maak ik op dat Van Vuuren zelf het tijdstip van zijn dood gekozen heeft. Een week eerder was zijn huis op de hoek van de Van Hasseltstraat en de Van Spaenstraat afgebrand. Daarbij gingen al zijn bezittingen in vlammen op. Ook zijn fameuze fotomuur. Dat moet hem gebroken hebben. “Intens moe” stond er boven zijn overlijdensadvertentie. Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Hoewel ik Tuf nauwelijks gekend heb, stemt zijn dood me weemoedig. Onwillekeurig moet ik denken aan dat verhaal uit het begin van de jaren tachtig over die zilverkleurige Alfa, zijn enige bezit.

Eén troost rest: zijn fotomuur staat sinds enige tijd op internet. Uren heb ik op de site rondgedwaald. Foto na foto bekeken. Al die gezichten. Velen herkende ik. Van sommige wist ik dat ze dood waren, van anderen niet. Ook mezelf kwam ik tegen. Wat een naïeve hoop sprak uit die foto op pasfotoformaat. Al deze foto’s vertelden een prachtig en weemoedig stemmend verhaal van een provinciestad in de jaren tachtig en negentig. Ik verruilde Arnhem al begin jaren tachtig voor Amsterdam maar toch vertelt deze fotomuur ook mijn verhaal.

Afgelopen maandag hebben ze Tuf in kleine kring begraven. Wat rest is zijn fotomuur. Een nalatenschap die er wezen mag. Voor Tuf was fotograferen geen bevlieging. Het was zijn levenswerk. Hopelijk komt er snel iemand op het idee hier een boek van te maken.

Surf naar www.fototuf.nl om de fotomuur te bekijken.

08-10-10

DE MORGEN, 03-11-2010: TIPS VOOR DE BOEKENBEURS





BART VAN LOO, Auteur en spreker:

De trilogie van Willem Van Zadelhoff

"Ik vind dat iedereen Willem Van Zadelhoff moet lezen, want hij is nog veel te onbekend bij ons. Ik lees hem heel graag. Ik heb net het derde deel en sluitstuk van zijn trilogie HOLLE HAVEN gelezen: GA NIET WEG. Aan de hand van een stoel beschrijft hij de vervreemding van de moderne mens. Hij vertrekt van een achterpootloze stoel, en de vraag wie hem uitgevonden heeft. Van daaruit beschrijft hij drie generaties.

02-06-10

LAATSTE IMPRESSIE UIT DUBROVNIK ONLINE BIJ HET BESCHRIJF


Het is zaterdagavond en het regent. Sinds ik hier ben – nu drie weken – heeft het steeds in de weekenden geregend. Er lijkt een systeem in te zitten.

Vanavond heb ik een gegrilde zeebaars gegeten in Dundo Maroje, een klein restaurant in een van de stegen die uitkomen op de Placa, de hoofdstraat van de oude stad.....

26-05-10

NU OOK DE 2E IMPRESSIE UIT DUBROVNIK ONLINE BIJ HET BESCHRIJF!



Het universiteitsgebouw waar ik de komende maand verblijf, bevindt zich op een heuvel met uitzicht op de oude stad.

Het is na vieren. De administratie is gesloten. In de hal is een vrouw in een soort roze pyjama de vloer aan het dweilen. Achtereenvolgens leg ik haar in het Engels, Duits en Frans uit dat ik de schrijver uit België ben die hier de eerstkomende maand komt werken....

LEES VERDER OP DE SITE VAN HET BESCHRIJF:

http://beschrijf.blogspot.com/2010/05/willem-van-zadelhoff-bericht-uit_26.html

08-05-10

VLIEGEN IS HET LEVEN WAARD


Er wordt weer gevlogen. Dat het vliegverkeer boven Europa dagenlang was lamgelegd door een ‘vulkaanwolk’ lijken de meesten al weer vergeten te zijn.
20 april moest ik naar Berlijn. Vliegen ging dus niet. De trein dan maar. Dat duurt langer maar is veel geriefelijker. De ICE naar Keulen was station Brussel-Noord nog niet uit of hij stopte al weer.
Vanwege een persoonlijk ongeval, werd er omgeroepen. Nou, dan weet je voldoende. Een uur later konden we onze reis voortzetten.
Toen ik een week later terugreisde, vloog alles weer. Maar toen ik wilde inchecken, bleek ik niet op de passagierslijst te staan. Had het misschien te maken met dat ik geen gebruik had gemaakt van mijn ticket op de heenreis? Inderdaad. Als je met zo’n goedkoop ticket reist en geen gebruik maakt van de heenreis vervalt het hele ticket.
Maar het ging niet, betoogde ik. Er waren geen vliegtuigen. Het meisje achter de incheckbalie keek me niet-begrijpend aan. Uiteindelijk begon er iets bij haar te dagen.
Langzaam boog ze zich naar mij over en – bijna fluisterend – zei ze: ‘Was het misschien vanwege de vulkaanwolk? Toen ik instemmend knikte, voelde ik me opeens heel erg oud. Kom pappie, vertel nog eens over de vulkaanwolk...
In de vliegwereld is een kort geheugen belangrijk. Ik heb wel eens gehoord dat als er ergens een straaljager neerstort, de andere piloten binnen een paar uur de lucht in moeten. Anders zouden ze maar gaan piekeren over de gevaren van het vliegen en dat kan verlammend werken.
De vliegwereld heeft een volkomen andere opvatting over gevaar. Toen de overheden het vliegverbod afkondigden, vonden de meeste piloten dat maar flauwekul. Er waren een paar testvluchten gemaakt en er was niets gebeurd. Volgens hen was het luchtruim dus veilig. Staatssecretaris van verkeer Etienne Schouppe sprak dat tegen. Dat er tijdens die proefvluchten niets gebeurd was, betekende geenszins dat het niet gevaarlijk was.
In Berlijn logeerde ik in Pension Funk in de Fasanenstraße. Het pension beslaat een verdieping van een appartementsgebouw uit de Grunderzeit. In de jaren dertig van de vorige eeuw was het rechtergedeelte de woning van Asta Nielsen. "Die Asta" was een Deense die furore maakte als actrice in Duitse stomme films. Het linkerappartement behoorde toe aan de bekende jachtvlieger Ernst Udet. Of ik die kende, vroeg de receptionist?
Nu, kennen was teveel gezegd. Een paar dagen eerder had ik bij zijn graf op het Invalidenfriedhof gestaan. Ik was daar omdat ik een ander graf wilde bezoeken, dat van de pilote Marga von Etzdorf, de hoofdpersoon van de roman Halfschaduw van Uwe Timm. De roman speelt zich bovendien op dat kerkhof af. Het Invalidenfriedhof is een soldatenkerkhof, opgericht door Frederik de Grote. Hier ligt de Duitse en Pruisische geschiedenis begraven, in elk geval de militaire. Verspreid in het gras liggen de resten van de graven van Pruisische en Duitse generaals, admiraals, kolonels en nazikopstukken. En vliegeniers dus. Ten tijde van de Koude Oorlog lag het kerkhof in de zogenaamde Todesstreifen, het levensgevaarlijke gebied langs de Berlijnse Muur.
Het graf van von Etzdorf bestaat uit een brok graniet met de tekst: Der Flug ist das Leben wert. Vliegen is het leven waard.
Na een mislukte landing in Syrië pleegt ze op 28 mei 1933 zelfmoord. Uit schaamte wordt gesuggereerd. Of was er meer aan de hand? Aangezien ze zelf geen geld had voor een nieuw vliegtuig had ze een duivelspact met de nazi’s gesloten. Rijksmaarschalk Göring stelde haar een nieuw vliegtuig ter beschikking. Maar dan moest ze wel wapens smokkelen naar Syrië. Dat druiste tegen haar overtuigingen in, maar een nieuw vliegtuig... Vliegen is het leven waard, nietwaar?
Ernst Udet is ook door zelfmoord aan zijn einde gekomen. Deze playboy-piloot en luchtacrobaat had het tot Generaloberst van de Luftwaffe gebracht. Udet, die geen overtuigd nazi was, verzocht in 1941 van zijn functie ontheven te worden. Göring weigerde. Hij was bang dat het ontslag het moreel van de troepen zou ondermijnen. Udet trok zijn conclusie. Hij ging naar zijn woning in de Fasanenstraße en schoot zich – ‘verbitterd over zijn bruine spitsbroeders’ - een kogel door het hoofd.
Rare jongens die vliegers. En hoe zit het trouwens met de piloten die het gevaar van de vulkaanwolk bagatelliseerden? Natuurlijk, vliegen is het leven waard... Of zat er ook druk van de luchtvaartsector achter. En stel dat er werkelijk een ongeluk gebeurd was?
Was vliegen dan werkelijk het leven waard geweest?
‘Ik denk eerder van niet,’ lezen we bij Uwe Timm.

eerder gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 7 mei 2010

12-04-10

DE VERTALER HEEFT HET GEDAAN

Dichter Hanz Mirck heeft de dichtbundel Regio en ring van de Ierse Nobelprijswinnaar Seamus Heaney vertaald en dat heeft hij niet goed gedaan. Arjan Peters (De Volkskrant), Guus Middag (NRC) en nog een aantal critici zijn het daar unaniem over eens. Hij schijnt het zelfs zo verschrikkelijk gedaan te hebben dat Uitgeverij Meulenhoff besloten heeft de bundel uit de handel te nemen.
Vanwege de kritiek op de vertaling? ‘Nee, hoor’, zegt PR-medewerkster Marianna Sterk van Meulenhoff in de Volkskrant. Het besluit was al genomen. 'Het was te pijnlijk voor ons. We hebben een naam op te houden als uitgever van een van de grootste Europese dichters. En hoe erg het ook is voor de vertaler Hanz Mirck, we kunnen niet met hem doorgaan.'
Dat vind ik erg vreemd. Een vertaler vertaalt een bundel gedichten. Ik ga ervan uit dat iemand van Meulenhoff hem daar om gevraagd heeft. Hij levert die vertaling in en zonder dat iemand van de uitgeverij er naar kijkt, wordt de tekst naar de drukker gebracht. Of heeft er wel iemand van de uitgeverij naar gekeken maar was die persoon niet competent genoeg om te zien dat het een ellendige vertaling betrof? Want één ding heb ik uit alle kritieken begrepen: zelfs als Regio en ring een oorspronkelijke Nederlandse tekst zou zijn geweest, was het een tekst vol fouten en slordigheden geweest.
Nu is Hanz Mirck de grote boosdoener. Maar ik ben zo benieuwd naar degenen die “onafhankelijk” van al die slechte kritieken alsnog besloten hebben Regio en ring uit de handel te nemen. Zijn dat dezelfden die eerder zonder problemen de vertaling naar de drukker hebben laten sturen? Waarom heeft niemand van Meulenhoff Hanz Mirck tegen zichzelf in bescherming genomen?
Het ergst is het natuurlijk voor Seamus Heaney zelf. Als ik hem was, zou ik maar eens naar een andere uitgever uitkijken. Een uitgever met een eindredacteur. Want uiteindelijk is het de uitgever die de eindverantwoordelijkheid draagt. Het past niet die af te schuiven op de vertaler.

20-03-10

DE JORDAAN IN POTSDAM


















Maar waar is Willy Alberti?

BLIND VOOR WAT ER WERKELIJK GEBEURDE

Ismail Kadare (1936) was in Brussel. De internationaal gelauwerde Albanese schrijver - in 2005 won hij de eerste Man Booker International Prize en in 2009 de prestigieuze Spaanse Prins van Asturiëprijs - kwam de Nederlandse vertaling van zijn roman Het Ongeluk promoten.
Vier potige mannen in donkerblauwe kostuums fladderden steeds om hem heen. Het zijn afgevaardigden van een culturele, Albanese vereniging en willen geen woord missen van wat hun grote schrijver zegt.
Het ongeluk is een ongrijpbaar boek. Het eerste deel is opgezet als een detective. Op de snelweg tussen Tirana, de hoofdstad van Albanië, en vliegveld Rinas is bij kilometerpaal 17,0 een taxi verongelukt. De passagiers zijn op slag dood, de chauffeur wordt in coma afgevoerd. De slachtoffers zijn Besford Y., een politiek analist en Rovena St., die stage loopt bij een archeologisch instituut in Wenen. Waarschijnlijk vormen zij een liefdespaar. Over de omstandigheden waarin het ongeluk gebeurd is, tast de politie in het duister. Als de chauffeur na een week uit zijn coma ontwaakt, kan hij de politie niet meer vertellen dan wat hij in de achteruitkijkspiegel gezien heeft: ‘de man en de vrouw probeerden elkaar te kussen’. De politie kan er weinig mee en deelt het ongeval in bij de categorie atypische ongevallen. Maar nadat de geheime diensten van twee andere Balkanlanden interesse hebben getoond in het ongeval, verdiept de Albanese geheime dienst zich er ook in. Wederom zonder resultaat. Een onderzoeker die verder anoniem blijft, gaat door met het onderzoek. Uit een enorme stapel hotelbonnen, treinkaartjes, vliegtuigtickets, notities en andere papieren probeert hij zich een voorstelling te maken van het leven van Besford en Rovena in de laatste veertig weken voorafgaand aan het dodelijke ongeluk. Dit vormt het tweede deel van de roman. Het leest als een tragisch liefdesverhaal. Het derde en laatste deel van de roman – waarin de onderzoeker weigert de laatste week van Besford en Rovena te reconstrueren - heeft weer de vorm van een detective.

Kadare: ‘Inderdaad. Er is helemaal niets mis met detectives. Meestal wordt het gebruikt om slechte literatuur mee te benoemen. Onzin! De meeste grote werken uit de wereldliteratuur zijn detectives. In Hamlet van Shakespeare probeert Hamlet de moord op zijn vader op te lossen. Maar ook De broers Karamasov van Dostojevski is een detective. Om maar niet te spreken van Misdaad en straf.’

Soms moest ik aan het werk van de Siciliaanse auteur Leonardo Sciasca denken toen ik uw boek las.

‘Dat is een van die grote schrijvers. En inderdaad, hij schreef alleen detectives.’

Een overeenkomst tussen al die romans is dat de oplossing van het misdrijf veel minder belangrijk lijkt dan de manier waarop dat gebeurd.

‘Dat geldt ook voor Het ongeluk. Het gaat om de pogingen die alle grote schrijvers hebben ondernomen om het mysterie te ontrafelen. Maar uiteindelijk stuit je steeds op een grens. Hoe je hem ook benaderd, welke sluiproute je ook neemt, uiteindelijk stuit je altijd weer op een barrière. Je komt niet verder.’

Uw karakters zijn voortdurend op reis door Europa. Maar ze slagen er niet in het verleden van zich af te schudden. Ze denken dat ze alleen dan een nieuw begin kunnen maken. Leven in een andere zone...

‘Sterven om opnieuw te kunnen beginnen.’

Toch lukt het ze niet. Of misschien ook wel. Aan het einde van het boek laat u de lezer in het ongewisse of Besfort en Rovena misschien toch nog leven.

‘Je kunt pas veranderen als je de geschiedenis accepteert. Je persoonlijke, maar ook de geschiedenis van je land, de Albanese geschiedenis. Pas dan kun je verder leven. ’

Onlangs hoorde ik iemand uw werk als magisch realistisch beschrijven. Er werd zelf een vergelijking getrokken met Zuid-Amerikaanse auteurs als Garcia Marquez.
Kadare vertrekt zijn gezicht tot een grimas. Grotere onzin heeft hij nog nooit gehoord.

‘Van die Zuid-Amerikanen wordt altijd gezegd dat zij het magisch-realisme in de literatuur hebben uitgevonden... louter geschiedvervalsing. Lees de vroegste grote werken uit de klassieke literatuur er maar op na. Daar kun je al lezen over paarden die boven de wolken zweven. De kracht van literatuur is dat je je niet aan de werkelijkheid hoeft te houden.’

U bent gevormd door de mythes uit de klassieke oudheid. Zowel de orale als de geschreven klassieke literatuur. De mythes uit de Balkan. En natuurlijk Shakespeare.

‘Ik heb zijn gehele oeuvre meermalen gelezen. De plots van bijvoorbeeld Macbeth en Hamlet zijn nogal mager. De grootsheid van Shakespeare schuilt erin dat hij deze stof op een zeer hoog plan gebracht heeft. Ik heb in mijn leven slechts drie essays geschreven. Een over Aeschylus, een over Dante en onlangs een over Shakespeare. ’

Het komische en tragische gaan in uw werk vaak hand in hand.

‘In alle grote literatuur zijn het tragische en het komische onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het grote voorbeeld is natuurlijk Cervantes’ Don Quichot. De ridder met het droevige gelaat. Hij is een idealist, een utopist. En doet geen enkele concessie. Daarin schuilt zijn tragiek. De oppervlakkige lezer lacht erom. Maar lachen is ook een manier om met het tragische om te gaan.’

De meeste vertalingen van uw boeken zijn gebaseerd op de Franse vertalingen. Er zijn uitzonderingen. Uw Nederlandse vertaler Roel Schuyt heeft speciaal Albanees geleerd om niet langer afhankelijk te zijn van de Franse vertalingen.

‘Dat is hoopgevend. Maar Albanees is een kleine taal. Wordt slechts gesproken door 5 à 6 miljoen mensen. Samen met het Grieks en het Armeens is het Albanees een van de drie solitaire talen van Europa, talen die tot geen enkele familie behoren. Helaas wordt de taal tegenwoordig vooral geassocieerd met de Albanese maffia en de stalinisten die zo lang aan de macht waren. Dat is onterecht.’

Na lezing van uw roman dacht ik: dit is een boek over noodlot. Maar niet op een pessimistisch manier. Nee, eerder op een filosofische manier.

‘Misschien, misschien...’

‘In de oudheid zei men dat de goden aan ons, de mensen, niet de hogere wetenschap en kennis hadden doorgegeven’, lees ik in uw roman. ‘Daarom waren onze ogen, zoals meestal het geval is, op dat moment blind voor wat er werkelijk gebeurde.’ De oplossing van het raadsel ligt in de roman in de achteruitkijkspiegel van de verongelukte auto verscholen. De man en de vrouw die elkaar probeerden te kussen. De spiegel reflecteert de realiteit. Maar als we de gewone realiteit al niet kunnen zien dan zeker de reflectie daarvan niet. Een veelzeggend beeld die spiegel.

‘Die spiegel herinner ik me niet meer.’

Kadare pakt mijn exemplaar van Het ongeluk en bladert naar de laatste pagina. Hij priemt met zijn wijsvinger op de jaartallen onder de tekst: Winter 2003-2004.

‘Ik heb dat boek meer dan zes jaar geleden geschreven. De details ben ik vergeten.’


eerder gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 19 maart 2010

15-03-10

DE HELE WERELD BEHANGEN

Het eerste wat ik ooit van Wilma Bertheux zag, was een tekening van een hert. Maar misschien was het ook een ree, of een rendier. Het was op de eindexamententoonstelling van de Kunstacademie in Arnhem.
In de verte deed dat hert me denken aan een tekening van Han van Meegeren uit 1923. Een tante van mij had daar een reproductie van aan de muur hangen. En daarnaast had ze nog zo’n hert hangen. Dat had mijn neef dan weer nagetekend van die reproductie.
Van de week heb ik dat hert van Van Meegeren nog eens bekeken.
Één ding kan ik u verzekeren: het hert Van Meegeren heeft helemaal niets te maken met het hert van Bertheux. Van Meegerens hert heeft het uitstekend naar zijn zin binnen de lijst. Het is een beetje een suf hert met een lieve, naar binnen gekeerde blik. Dat was niet het geval met Wilma’s hert. In mijn herinnering was dat nogal een krachtig hert met zeer geprononceerde musculatuur. En uit zijn ogen sprak maar één verlangen: uit de beklemming van de lijst bevrijdt te worden.

Het lijkt wel of het verlangen van dat hert Wilma’s poëtica is geworden.
Haar schilderijen zijn meestal bescheiden van formaat. Maar ze zijn altijd te klein. Ze zijn de weerslag van een voortdurend gevecht tussen de kunstenaar en het spieraam. Verf en doek zijn de wapens. Op een gegeven moment ging ze het doek zelfs plooien. Hoeveel doek kan een spieraam verdragen, denk je dan. Nou, heel wat als je die schilderijen zag.


Maar het beperkte oppervlak van haar schilderijen geeft haar ook een gevoel van geborgenheid.
Als Wilma Bertheux op vakantie gaat, heeft ze altijd een aantal lappen stof in haar koffer. Daarmee zet ze dan het vakantiehuis naar haar hand. Lappen over de stoelen, de banken, de tafel, ja, zelfs over de lampenkappen worden lappen stof gedrapeerd... zodat het licht zich verspreid op een manier die zij bepaald heeft.
Ook schilderen is voor Wilma een manier om de wereld naar haar hand te zetten. Ze wil de wereld mooier maken. Zo simpel is dat. En daarbij geldt geen enkele beperking.
Daarom is het door haar ontworpen behang ook een volkomen logische ontwikkeling. De meeste schilderijen zijn eindig. Waar het schilderij ophoudt, begint de muur. Het behang luistert naar andere wetten. Het is slechts een uitsnede. We zien wat we zien maar dat is maar een fractie. De afbeeldingen die we zien, kunnen tot in het oneindige herhaald worden, suggereren dat ook.
We kunnen het hele gebouw ermee behangen, de hele straat, de stad, het land, de wereld.
Daarmee is vandaag een begin gemaakt.

Uitgesproken bij de opening van de tentoonstelling van Wilma Bertheux in sociëteit De Kring in Amsterdam, 13 maart 2010.

06-03-10

DE DOOD EN DE SPORT

Nog voordat de Olympische Winterspelen in Vancouver officieel geopend waren, viel er een dodelijk slachtoffer. De Georgiër Nodar Koemaritasjvili vloog tijdens de laatste training voor de Olympische rodelwedstrijden met zijn rodel uit de bocht en botste tegen een stalen paal.
Daar schrikken we van. Maar moet je wanneer je gemiddeld met honderdvijftig kilometer per uur een rodelbaan afraast er eigenlijk geen rekening mee houden dat het wel eens mis kan gaan? Is dat ook niet de kick?

Sport en de dood. Mon Vanden Eynde en Dirk De Witte wijden er in hun studie De sport in de literatuur (1968) een aantal behartigenswaardige passages aan. Vanden Eyne maakte naam als coach van de beroemde atleten Gaston Roelants en André De Hertoghe. De Witte was prozaschrijver en pleegde nog geen twee jaar na publicatie van bovengenoemde studie zelfmoord. Jeroen Brouwers wijdt in zijn zelfmoordboek De laatste deur een lang en aangrijpend essay aan hem.

De Atheense soldaat Philippides liep in 490 voor Christus de 42 kilometer van Marathon naar Athene om er de overwinning van Miltiades op de Perzen te melden. Een prestatie van formaat. Maar nadat hij volkomen buiten adem zijn boodschap had overgebracht, viel hij dood neer. Tijdens de eerste Olympische spelen van 1896 wordt de marathon op het programma gezet als eerbetoon aan deze soldaat.
‘Waarom boeit deze marathon zo?’ vragen Vanden Eynde en De Witte zich af. De mythevorming rond deze discipline is volgens hen zeer doordrongen van de doodsgedachte. De marathon heeft bovendien de grenzen van wat als sport kan beschouwd worden overschreden.

In de twintigste eeuw is sport alomtegenwoordig in het maatschappelijk leven.
Francois Mauriac omschreef de twintigste eeuw als ‘Cet étrange siècle du sport’. En Paul Valéry speet het dat hij tot de generatie behoorde die de sport onderschat had. Ondanks dat komt de sport slechts sporadisch voor in de literatuur.
Zou het zijn omdat sport een massaverschijnsel is? De schrijver houdt zoals bekend mag worden veronderstelt niet zo van massaverschijnselen. Want ‘hij vreest zijn persoonlijkheid, die hij beklemtonen en uitbouwen wil, in de massa te zullen verliezen.’
Bovendien is de letterkundige niet in staat sportbewondering en sportverdwazing te scheiden van sportbeoefening en sporttragedie, klinkt het verwijt.
Dan is er natuurlijk de angst van de schrijver om met zijn eigen fysisch verval te worden geconfronteerd. En met zijn inertie!
Een verklaring voor het feit dat sport in de Nederlandse literatuur in vergelijking met andere literaturen nog minder voorkomt vinden de auteurs in het werk van Herman Gorter, een enthousiast beoefenaar van de bergsport. In de verheven poëzie van de bergen vond Gorter aanschouwelijke symbolen van zijn eigen hoogste gedachtebeelden.
Want: ‘pas wanneer de sportieve daad een hoger plan bereikt, de mens verheft, de sportdaad groots is, tot poëtische inspiratie leidt, is ze de toegang tot het heiligdom der literatuur waardig’.

En als er dan al eens wat sport de literatuur binnensijpelt zijn het vooral de disciplines waarin geweld, spektakel en mythe te vinden zijn. Boksen bijvoorbeeld. In het oeuvre van Ernest Hemmingway wordt regelmatig gebokst. Hugo Claus laat in zijn roman De Hondsdagen trainende boksers opdraven en Armando publiceert in Gard Sivik zijn cyclus Boksers:

Heeft Nelis een glazen kin?

Priem hem precies op z’n strot
Godverdomme geen asem meer


Het stierengevecht, ook zo’n mythische sport. Henri de Montherlant heeft er net als Hemmingway heel wat pagina’s aan gewijd. Ze hadden nog iets gemeen. Beide beroofden zichzelf van het leven. De Montherlant omdat hij zo goed als blind was, Hemmingway omdat hij al jaren leed aan zware depressies. Het zat bij hem in de familie; ook zijn vader, broer, zuster en zijn kleindochter kwamen op deze manier aan hun eind.

De sport in de literatuur is geen onbekommerd, vrolijk sportboek. Het is doordesemt van dood, tragiek en mislukking. En vreemd, want onbewezen, hoor ik hier vooral de stem van Dirk De Witte. Maar misschien kleur ik deze studie teveel in door hem te lezen met zijn latere zelfmoord in mijn achterhoofd. Wil ik er misschien een vooraankondiging in lezen van zijn dood?

De dood is tamelijk definitief. Denk maar aan de beelden van de verongelukte rodelaar Nodar Koemaritasjvili. Je hebt weinig verbeelding nodig om te begrijpen wat daar gebeurd is.
Toen de piste-renner Karel Verbist op 21 juli 1909 door een ongelukkige val tijdens een wedstrijd om het leven kwam zong het volk:

Charelke, Charelke, Charelke Verbist
Had hij niet gereje in de pist
Had hij niet gelegen in de kist...


Maar in dit liedje is allang geen sprake meer van ‘aanschouwelijke symbolen’ van iemands ‘hoogste gedachtebeelden’.




eerder gepubliceerd in De Standaard der Letteren, 19 februari 2010

05-03-10

OVER JAPANEZEN, MUIZENVANGERS EN HOEREWAARDINNEN

Toen ik aan het bladeren was in Van Ostayen – Een documentatie van de onvolprezen Gerrit Borgers stuitte ik op iets opmerkelijks.
Jos Léonard, een jeugdvriend van Van Ostayen, heeft zijn herinneringen aan de dichter opgeschreven onder de titel De jongensjaren van Paul van Ostayen.
Van Ostayen was klein van stuk. En daar was hij zich terdege van bewust. Tijdens de Russies-Japanse orlog was hij een overtuigd aanhanger van de Japanners.
Als zijn vriend hem vraagt waarom, antwoord Van Ostayen: ‘De Japanezen zijn maar kleine mannekens zoals ik.’
In diezelfde tijd schreven de twee vrienden onafhankeijk van elkaar theaterstukken. De kleine Paul was bezig met een klucht. De titel was De muizenjacht. De handeling is eenvoudig en allesbehalve vergezocht: een knecht moet muizen vangen van zijn baas.
Als de baas op een gegeven moment aan zijn knecht vraagt: ‘Jan, hoeveel hebt ge er al gepakt’, antwoord de knecht: ‘Als ik die heb waar ik achter zit en nog een, dan heb ik er twee.’

Volgens mij was dit de aanzet tot Van Ostayens eerste groteske.


Nu iets heel anders.
Een huiselijk tafereel. Een gewone doordeweekse dag.

Vaas met de bloem
Ploem ploem
Hé visserke vis
Visserke vis


En dat dan gedeclameerd door een meisje van dertien.
Een boos meisje.
Mijn dochter.
Ze werd gestoord van dat gedicht. Wat een verschrikkelijk rotgedicht. De opdracht was om zelf ook zo’n gedicht te maken.

Ploem ploem
Visserke vis
Daa-ag vis
Dag lieve vis
Dag klein visselijn mijn


De afgelopen vier jaar hebben vier verschillende leerkrachten geprobeerd mijn dochter aan de hand van Mark groet ’s morgens de dingen te overtuigen van het genie van Van Ostayen.
Tevergeefs.
Ik heb nog geprobeerd haar uit te leggen waarom het werkelijk een bijzonder gedicht is, maar veel hielp het niet. Ik was te laat. Ik ben bang dat het nooit meer goed komt tussen mijn dochter en Paul Van Ostayen.
Dat is het gevaar van de literaire canon. Als we maar veel en vaak zeggen dat iets heel bijzonder is dan geloven we het op den duur zelf. Daar hoeven we de betreffende tekst nog geen eens voor te lezen. Napraten volstaat. Wellicht is een canon wel de eerste stap naar fundamentalisme.
En dat is weer heel iets anders dan cultureel snobisme. Want daar is niets op tegen op z’n tijd.
Enfin, waarom laten ze kinderen toch niet zelf ontdekken waarom bepaalde poëzie beter is dan andere? Natuurlijk, dat kost tijd, veel meer tijd. En nog iets veel belangrijkers: bevlogenheid van de lesgever.

Onlangs las ik weer eens een van de grotesken van Van Ostayen. Het Bordeel van Ika Loch. U weet wel. Over die bordeelhoudster die precies denkt te weten wat haar klanten willen. Zij denkt zelf in het onbewuste van haar klanten te kunnen door dringen. Ika Loch als Vlaamse variant van Sigmund Freud.
Hoe verder ik doordrong in deze groteske hoe meer ik moest denken aan de leerkrachten die mijn dochter dat gedicht van Van Ostayen zo hadden tegengemaakt.

Aanvankelijk leggen een aantal van Ika Loch’s klanten de schuld van hun teleurstellend hoerenbezoek bij Ika Loch zelf. Maar al snel geeft de eerste toe– ik citeer – dat hij inderdaad om zijn driftleven niet was georiënteerd en dat Ika loch’s autoritair optreden hare kennis bewees.
Na hem volgt het merendeel van het clientèle.

En Ika Loch vaart daar wel bij.

Zij bleef autoritair, enkel omdat zij nu eenmaal zo was. Met dit gevolg dat het autoritaire optreden ditmaal dadelik als superieur weten werd geschat.

Maar dit gaat helemaal niet meer alleen over deze fictieve hoerenmadam, bedacht ik me, nee, dit gaat ook over die lesgevers. Vooral zou ik haast zeggen.
En het gaat maar door.

Ook was zij erg bijziende, - feitelik wel haar beroep zeer ten schade. De menselike figuur in haar geheel kon haar niet concentries prikkel zijn. Zij was daartoe genoodzaakt de details één na één op te nemen, samen te lezen en zij kon slechts uit deze summering het beeld excentries projekteren.

Of deze:

...de eierstokken werden haar weggenomen. Daaruit volgde nu deze toestand dat zij, hoerewaardin, niet het geringste besef van geslachtsleven had, ja de drift eenvoudig niet kon begrijpen.

Hieruit blijkt natuurlijk in eerste plaats dat het met de medische kennis van Van Ostayen niet zo bijzonder gesteld was. maar als we het figuurlijk opvatten en die eierstokken door iets anders vervangen, is het weer wel van toepassing op die lesgevers waarover ik eerder sprak.

Tot slot nog één citaat van Van Ostayen. Ik heb de vrijheid genomen Ika Loch te vervangen door de lesgever.

Verder zou ik het bijna toch wagen te verklaren dat het wezen van een lesgever slechts indirekt is nabij te komen. Zijn autoriteit daargelaten, treedt hij zo weinig op het voorplan dat... men zou kunnen aannemen hij zou slechts voorstelling zijn, - als lesgever pedagogische waanvoorstelling.

Ik hoop dat al die lesgevers - die zonder te weten waarom - roepen dat Van Ostayen een genie is, dit kleine boekje van uitgeverij Voetnoot lezen. Misschien valt er nog iets te redden.



uitgesproken bij de presentatie van de drie eerste deeltjes van de Belgica-reeks van Uitgeverij Voetnoot op donderdag 4 maart 2010.